Leven in de Noordzee kleurt alsmaar exotischer | Vlaams Instituut voor de Zee
 

Vlaams Instituut voor de Zee

Platform voor marien onderzoek

Leven in de Noordzee kleurt alsmaar exotischer

Oostende (2021.01.25) – De Belgische Noordzee en het Schelde-estuarium herbergen samen 79 exotische zout- en brakwaterdieren en algen. Een uitvoerige studie van het ‘VLIZ Alien Species Consortium’ toont hiermee een stijging van vreemde soorten van 15% in het voorbije decennium (2012-2020). Een toename in het intercontinentaal scheepvaartverkeer, een betere opvolging en verplaatsingen van soorten voor aquacultuurdoeleinden liggen aan de basis.

Persbericht door: VLIZ

De resultaten van een nieuwe uitgebreide studie door het VLIZ, in samenwerking met 14 nationale en internationale kennisinstellingen (het ‘VLIZ Alien Species Consortium’), zijn duidelijk. Het Belgisch deel van de Noordzee, inclusief het Schelde-estuarium en de Oostendse Spuikom, herbergt steeds meer zout- en brakwatersoorten uit verre oorden. Het totale aantal gevestigde vreemde soorten is op minder dan tien jaar tijd met 15% gestegen, van 69 (2012) naar 79 (2020). Hoewel een betere opvolging een deel van die toename kan verklaren, lijkt een intensifiëring van economische activiteiten de hoofdoorzaak. Bij 76% van alle ooit geslaagde introducties in Belgische kustwateren heeft scheepvaart mogelijk een rol gespeeld, bij 41% was dit het geval voor aquacultuur. Bijna 60% van alle ‘geslaagde’ introducties vond plaats na 1990, in een periode dat met name het intercontinentaal scheepvaartverkeer een sterke groei vertoonde. Het gegeven dat de Vlaamse zeehavens zich ter hoogte van een van de drukst bevaren maritieme scheepvaartroutes bevinden, verhoogt de kans op nieuwe onbedoelde introducties via maritiem transport

Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat de meeste nieuwe soorten afkomstig zijn uit regio’s waarmee Vlaanderen belangrijke intercontinentale scheepvaartroutes deelt. De Stille Oceaan (met levendige connecties met bv. China) is goed voor 50% van de soortintroducties, de NW-Atlantische regio tikt af op 26%. Introducties vanuit de Atlantische Oceaan vinden vooral plaats via ballastwatertransport, terwijl vanuit de Stille Oceaan naast de scheepvaart ook aquacultuur en levende import een voorname rol speelt. Zo bereikte het Japanse bessenwier, een bruinwier uit Oost-Azië, Europa in de jaren ’70 samen met ingevoerde Japanse oesters. De soort is nu aan onze kust gevestigd en aanspoelsels van dit wier komen er veelvuldig voor. De Amerikaanse zwaardschede is een langwerpige schelp (ook bekend als ‘couteau’), die pas in de jaren ’80 aan onze kust verscheen, na import van larven via ballastwater van schepen uit Noordoost-Amerika. Vandaag is deze soort aan onze kust een van de vijf talrijkste schelpdieren.

Niet alle levensvormen blijken even goed in staat tot dit soort geslaagde verhuisoperaties. Bij de nieuwkomers valt het grote aandeel geleedpotigen op (31 soorten of 39%), met vooral veel krabben, roeipootkreeftjes, garnalen, zeepokken en vlokreeftjes. Op afstand volgen algen of wieren (12 soorten of 15%) en slakken/schelpdieren (8 soorten of 10%). Introductie van vreemde soorten is overigens van alle tijden. De Chinese wolhandkrab vond al zijn weg naar Duitsland in 1912, om zich van daaruit verder te verspreiden en sinds 1933 ook in ons land op te duiken. Voor de eveneens Aziatische Penseelkrab en Blaasjeskrab was het wachten tot respectievelijk 2003 en 2006 vooraleer die zich aan de Belgische kust wisten te vestigen. Vandaag zijn beide krabben talrijk aanwezig in havens en op strandhoofden, waar ze een stevige concurrent vormen voor de inheemse Strandkrab. 

Toch hoeft een introductie niet per definitie problematisch te zijn. Voor een minderheid is het invasieve karakter dermate dat ze echt een probleem stelt voor de lokale biodiversiteit, de economie of de volksgezondheid. Is dit het geval, dan kan de impact echter groot zijn. Naar schatting vormt ongeveer 10-15% van alle niet-inheemse dier- en plantensoorten een gevaar voor de Europese biodiversiteit. Deze invasieve niet-inheemse soorten zijn wereldwijd zelf de tweede belangrijkste oorzaak van het verlies aan biodiversiteit (na de directe vernietiging van de leefomgeving). Ze belasten het ecosysteem door in competitie te treden met inheemse soorten, door nieuwe ziektes te introduceren of door overmatige predatie. Zo verscheen de kleine (3-4 cm) maar pijnlijk netelende Japanse kruiskwal recent in de Oostendse Spuikom, waar ze zwemmers en watersporters occasioneel hindert. De Amerikaanse ribkwal is dan weer een geduchte predator van dierlijk plankton en van visbroed. Een introductie in de jaren ’80 in de Zwarte Zee leidde er tot de ineenstorting van het ecosysteem en van de ansjovisserij. Sinds 2007 komt deze ribkwal ook voor aan onze kust, al zijn de ecologische gevolgen nog onduidelijk. De Japanse oester of ‘creuse’ ten slotte, werd in 1969 bewust geïmporteerd in ons land als alternatief voor de falende kweek van de lokale Platte oester. Vandaag is de creuse er zeer algemeen op dijken, strandhoofden en mosselbanken waar ze in concurrentie treedt voor ruimte en voedsel met mosselen en schaaldieren. In de havens verhinderen ze het correct sluiten van sluisdeuren, wat extra onderhoudswerk met zich meebrengt. De Japanse oester lijkt bij zijn vestiging ook voordeel te putten uit de klimaatopwarming.    

Het beleid zet dan ook in op het voorkomen van nieuwe introducties, op een snelle detectie en bestrijding en op een beheerkader voor wijdverspreide niet-inheemse soorten. Gezien de potentiële impact van niet-inheemse soorten op ecosystemen, op de menselijke gezondheid en op de economie, bestaan er diverse globale akkoorden, Europese regelgeving, regionale verdragen en een reeks specifieke richtlijnen (bv. de Internationale Ballastwater Conventie, 2004) en gedragscodes inzake de aanpak van niet-inheemse soorten. Een blijvende monitoring zal uitwijzen of de huidige regelgeving in staat is het tij te keren en een dalende trend kan teweegbrengen.

Ook anno 2020 verschijnen nog regelmatig nieuwe soorten, hier of in de buurlanden. Ze worden bijgehouden in een zogenaamde ‘Watchlist’ en toegevoegd aan de lijst nieuwe introducties van zodra de vestiging wetenschappelijk hard is gemaakt. De lijst omvat vooral slakken en schelpdieren (bv. de Amerikaanse strandschelp). Wie op zoek wil gaan naar reeds gevestigde of nieuwe exoten is heel erg welkom op de Grote Schelpenteldag van zondag 14 maart 2021. Die dag kun je, volgens een vaste methodiek, schelpen verzamelen en tellen, om die vervolgens op naam te brengen met de hulp van experten via een scHELPdesk (https://www.vliz.be/nl/event/2021-grote-schelpenteldag-schelpdesk). 

Het volledige boek van het ‘VLIZ Alien Species Consortium’ is na te lezen op https://www.vliz.be/en/imis?module=ref&refid=331869. Alle info is tevens ontsloten en doorzoekbaar via https://www.vliz.be/niet-inheemse-soorten. Je kunt er o.a. zoeken op soortengroep, gebied van oorsprong en introductiewijze. Afzonderlijke fiches per soort zijn interactief te bevragen.

Fotomateriaal

Hoge resolutiebeelden en videomateriaal is beschikbaar op aanvraag.

Perscontact

Jan Seys (VLIZ): jan.seys@vliz.be | +32-(0)478-37 64 13