Uniek fossielenkerkhof ontdekt voor Belgische kust | Vlaams Instituut voor de Zee
 

Vlaams Instituut voor de Zee

Platform voor marien onderzoek

Uniek fossielenkerkhof ontdekt voor Belgische kust

Oostende (2017.08.17) – Voor de kust van Zeebrugge, langs de vaargeul ‘Het Scheur’, ligt een unieke vindplaats van beenderen van lang verdwenen zoogdieren. Het betreft onder meer resten van walrussen uit de laatste IJstijd (116.000-12.000 jaar geleden) en wervels van oerwalvissen uit het warme Eoceen (40 miljoen jaar geleden). Dat is bevestigd door verkennend onderzoek in juli 2017 vanop het VLIZ-onderzoeksschip RV Simon Stevin.

Persbericht door: Vlaams Instituut voor de Zee (VLIZ)

Het betreft een hoogst merkwaardige ontdekking. Het begon met toevalsvondsten van walrus- en oerwalvisresten in het Belgisch deel van de Westerscheldemonding de afgelopen vijfentwintig jaar. De door Nederlandse vissers gevonden skeletresten trokken de aandacht van paleontologen verbonden aan het Natuurhistorisch Museum Rotterdam (NMR). Die gingen sinds 2015-2016 gericht naar de vaargeul Het Scheur op zoek naar extra materiaal. Dit bleef in België onder de radar, tot het Vlaams Instituut voor de Zee (VLIZ) via het geologisch-archeologische project SeArch (www.sea-arch.be) in contact kwam met de experten van het Nederlandse museum. Dit leidde in juli 2017 tot twee gezamenlijke proefvaartochten met het Vlaamse onderzoeksschip RV Simon Stevin.

Twee type vondsten springen in het oog:

- Eerst en vooral blijkt de vindplaats de zuidelijkste Pleistocene kolonie walrus ter wereld te herbergen (met resten van minstens 50-100 dieren), goed voor ongeveer de helft van alle vondsten van walrusskeletdelen in de Noordzee. Blijkens C14-analyse bedraagt de ouderdom van de botresten -45.000 jaar, al zijn er redenen om aan te nemen dat ze ook ouder kunnen zijn. De gaafheid van het botmateriaal en de vondst van zowel mannetjes, wijfjes als jonge dieren wijzen erop dat deze zeekolossen hier – in het koude klimaat van de laatste IJstijd – een heuse kolonie moeten hebben gevormd. Walrussen leven ook vandaag nog in het hoge Noorden, waar ze zich nabij de ijskappen te goed doen aan schelpdieren en samentroepen op eilanden in de buurt.

- Daarnaast zijn sinds 1996 in hetzelfde gebied al minstens tien wervels van oerwalvissen opgedoken. Vondsten van resten van deze primitieve zeezoogdieren zijn in West-Europa op één hand te tellen (slechts drietal vindplaatsen rond Noordzee). De ongebruikelijke grootte van de aangetroffen wervels (breedte ca 30 cm) kan zelfs wijzen op een nooit eerder ontdekte soort, mogelijk behorend tot de familie Protocetidae. Van deze familie dacht men dat ze NW-Europa niet of nauwelijks bereikt kon hebben. In ieder geval waren het 8-15 meter lange jagers die 40 miljoen jaar geleden, in het warme Eoceen, onze zeeën onveilig maakten. Deze oudste verwanten van de moderne walvissen zochten 50 miljoen jaar geleden vanop het Pakistaanse vasteland (toen nog met Oost-Afrika verbonden) de zee terug op. Vanuit een evenhoevige ter grootte van een hond die slechts sporadisch in zee vertoefde, pasten deze oerwalvissen zich geleidelijk aan tot permanente zeeverblijvers. Sommige hadden aanvankelijk nog voor- en/of achterpoten en een lange staart. Uiteindelijk zouden ze zich verspreiden over de wereldzeeën en evolueren tot de walvissen die we vandaag kennen.

Het Scheur voor Zeebrugge is een bijzondere site. Oorzaak is de opeenvolging van oude bodemlagen van verschillende leeftijd dicht onder de zeebodem. De walrusresten bevinden zich in de Pleistocene afzettingen. In dit Pleistocene IJstijdlandschap stond de zeespiegel in warmere fasen 20 m lager dan vandaag, in koudere tot wel 70 m. De Schelde mondde toen nog niet uit in Nederland, maar ter hoogte van Zeebrugge en Oostende. Het landschap zag er in de koudere fasen toendra-achtig uit, in de iets warmere perioden verscheen er ook bos. In dit verbrede riviermondingsgebied leefden grote grazers (wolharige mammoet, wolharige neushoorn, nijlpaard, oeros, reuzenhert, bosolifant, steppenwisent, …) en tal van roofdieren. De kustwateren waren bevolkt door onder andere walrussen, grijze walvissen en beluga’s.

De tochten met het Vlaamse onderzoeksvaartuig RV Simon Stevin op 19 en 31 juli 2017 bevestigen dit patroon. Naast acht resten van walrus troffen de onderzoekers ook botfragmenten aan van wild paard, oeros of steppenwisent en van een ree. Tenslotte werd ook een fossiele naaldboomkegel en heel wat schelpenmateriaal verzameld. Gerichte boringen zullen in de nabije toekomst meer zicht moeten geven op de geologische opbouw en uitgestrektheid van de bewuste lagen. Ook een meer precieze datering a.d.h.v. schelpenresten en andere indicatoren voor klimaat (diatomeeën, dinoflagellaten) behoort tot de geplande onderzoeksacties. Hiermee wil het VLIZ gericht onderzoek doen naar de ondergrond en naar het begraven verleden van de kustnabije zone.

Beeldmateriaal

Op vraag zijn foto’s van enkele vondsten beschikbaar, alsook een kaart van hoe het Pleistocene rivierlandschap t.h.v. het Scheur er moet hebben uitgezien.

Meer info

Wetenschapsjournalist Dieter De Cleene voer mee met een van de proefvaartochten. Zijn verslag vindt u in het wetenschapsblad Eos nr. 9, dat op 17 augustus 2017 verschijnt (www.eoswetenschap.eu).

Perscontact

Jan Seys (woordvoerder VLIZ) - GSM: +32-(0)478-37 64 13 - E-mail: jan.seys@vliz.be  


Persdekking